Google
 
Web www.de-natuur.be

BLANKVOORN - Rutilus rutilus

blankvoorn Dit is een foto van de blankvoorn
Korte beschrijving
Een tamelijk hoogruggige, zijdelings samengedrukte vis met rode iris en roodachtige borst-, buik- en aarsvinnen.
Kenmerken
Lengte meestal 20-30 cm, zelden meer dan 40 cm.
Lichaamsvorm hoogruggig tot slank (afhankelijk van het voedselaanbod), zijdelings sterk samengedrukt.
Mondspleet relatief klein en maar weinig omhooggericht.
Voorrand van rugvin en buikvinnen ongeveer boven elkaar geplaatst.
Buik tussen de aars vin en de hoogruggig op dwarsdoorsnede afgerond.
Grondkleur zilverig, de rug groenachtig-donker, de buik in de paartijd roodachtig aangelopen. Buikvinnen en aarsvin geelachtig tot helderrood, ook de borstvinnen vaak iets roodachtig; rug- en staartvin grijsachtig.
Iris rood.
39-48 schubben op de zijlijn.
Vinstralen: rugvin 12-14, aarsvin 12-14, borstvin 16, buikvin 10, staartvin 19.
Keeltanden 5(6) - 5(6).
blankvoorn De blankvoorn een pracht van een vis
Verwisselbare soorten
De zeer eender uitziende en ook nauwverwante Ruisvoorn (Scardinius erythrophthalmus) onderscheidt zich door de duidelijk achter de buikvinnen geplaatste rugvin, de diepe, steil omhooggerichte mondspleet, de scherp gekielde buik en het vrijwel ontbreken van rood in het oog.
Er zijn nog andere Rutilus soorten, maar niet in hetzelfde gebied .
De Winde (Leuciscus idus) heeft duidelijk kleinere schubben.
Leefwijze en biotoop
De Cyprinidae (Karperachtigen s.s.) tellen wereldwijd ongeveer 1600 soorten en zijn daarmee de grootste visfamilie; bijna alle soorten leven in zoet water, slechts enkele dringen in brak water door.
Een typisch kenmerk van de karperachtigen is het volledig ontbreken van tanden op de kaken en andere beenderen in de mond.
In plaats daarvan hebben ze op de achterste kieuwboog geen kieuwen maar keeltanden, waarmee het voedsel fijngekauwd, of de prooi vastgehouden wordt.
Als tegenkauwvlak voor de keeltanden dient de kauwplaat, een uitsteeksel van de schedelbasis, dat met een hoornachtige stof bekleed is.
Vele karperachtigen lijken uiterlijk sterk op elkaar maar kunnen aan de hand van de keeltandformule ondubbelzinnig op naam worden gebracht.
De vorm van de keeltanden hangt samen met de voedingswijze; bij roofvissen zien we kenmerkende lange, spitse keeltanden, bij planten- en planktoneters brede en stompe.
Veel karperachtigen hebben 1 of 2 paar baarddraden aan de mondrand.
De bek kan bij veel soorten slurfvormig worden uitgestulpt.
De Blankvoorn staat dicht bij het ‘basistype’ van de karperachtigen.
Het is een scholenvis, die vooral voorkomt langs sterk begroeide oevers van stilstaande en traag stromende wateren; hij prefereert daarbij de wat diepere waterlagen.
Hij past zich echter gemakkelijk aan en komt ook in andere watertypen voor.
Bij riviermonden begeeft hij zich zelfs in brak water, bijvoorbeeld in de Oostzee en de zoetere delen van de Zwarte Zee en de Kaspische Zee.
Zijn aanpassingsvermogen aan uiteenlopende watereigenschappen blijkt ook uit het feit dat hij het uithoudt in wateren die met organische stof zijn vervuild, en waaruit de meeste andere vissoorten al zijn verdwenen.
Hij voedt zich met een brede scala van planten en kleine diertjes; hij accepteert daarbij zowel plankton alsook bodemorganismen (benthos).
Grotere Blankvoorns nemen ook wel eens een jong visje.
Grote, hoogruggige exemplaren ontwikkelen zich echter alleen bij een rijk aanbod van slakken, kleine schelpdieren en grotere insectenlarven.
In wateren met een verarmde ongewervelden-fauna en weinig of geen planten (bijv. sterk eutrofe, troebele meren) reageren Blankvoorns vaak door ‘kommervormen’ op het karige voedselaanbod.
De dieren groeien dan langzaam, blijven slank en worden al bij geringe afmeting geslachtsrijp.
Het ontbreken van roofvijanden speelt bij het ontstaan van zulke kommervormen zeker ook een rol.
De dieren paaien in april en mei; in die tijd ontwikkelen de mannetjes paringsuitslag.
Bij de ei-afzetting gaan ze in grote scholen en zeer luidruchtig te werk, in ondiepe watergedeelten met dichte plantengroei.
Blankvoorns uit rivieren trekken over korte afstanden stroomopwaarts.
In de Zwarte en Kaspische Zee leven anadrome vormen die de benedenlopen van de Don en de Wolga optrekken om te paaien.
De ca. 1 mm grote eieren vallen omlaag in het water en blijven aan waterplanten en andere substraten kleven, waar ze na 5-10 dagen uitkomen.
Zoals bij alle vrijleggers zijn de verliezen door broedrovers hoog.
Ter compensatie produceert een enkel vrouwtje tot ruim 100000 eieren.
Blankvoorns worden na 3 jaar geslachtsrijp.
Ondanks het graterige vlees wordt de Blankvoorn in sommige delen van West-, Noord- en Oost-Europa toch wel gegeten; maar in ons land gebruikt men hem alleen als aasvis.
De anadrome populaties uit de Zwarte en Kaspische Zee hebben (of hadden) economische betekenis; of dat bij de toenemende vervuiling in deze wateren ook in de toekomst nog het geval zal zijn, moet ernstig worden betwijfeld.
Blankvoorn is een populaire hengelvis; plaatselijk wordt hij ook met de zegen of met stelnetten gevangen.
Verspreiding
Geheel Europa, uitgezonderd het Middellandse-Zeegebied en Noordwest-Scandinavië; oostwaarts tot in Siberië.
Diverse populaties uit Oost- en Zuidoost-Europa worden als ondersoort afgescheiden; dat geldt ook voor de anadrome vormen uit de Zwarte en de Kaspische Zee.
Adriatische blankvoorn De hieronder beschreven Adriatische blankvoorn
Verwante soorten
De Adriatische blankvoorn (Rutilus rubilio) lijkt veel op onze Blankvoorn, maar de rug- en aarsvin zijn meer uitgetrokken (duidelijk hoger dan lang), de borstvinnen hebben meer vinstralen (17-18).
De iris is minder felrood, kan die kleur zelfs geheel missen.
De zijlijn loopt naar voren toe boogvormig omlaag.
Op de zilverig glanzende flanken ziet men vaak een grijze, overlangse band.
Deze soort blijft kleiner dan de Blankvoorn, een lengte van 25 cm is al heel bijzonder.
In leefwijze en voedselgedrag lijkt hij op de Blankvoorn; vaak ziet men deze soort in scholen in open water van meren en langzaam stromende rivieren.
Gepaaid wordt in april en mei, in dichte vegetatie nabij de oever.
Het areaal begint vlak ten zuiden van dat van de Blankvoorn; het omvat Italië (behalve het uiterste noorden) en het westelijk deel van het Balkanschiereiland, tot Griekenland.

Op het Iberisch Schiereiland komen diverse soorten uit dit geslacht voor.
Daaronder is de ‘escalo’, de Iberische blankvoorn (Rutilus arcasii) uit Portugal en Noordwest-Spanje.
Hij is gekenmerkt door een opvallende, roetgrijze overlangse band op de flanken, en een vrij korte rugvin met niet meer dan 10-11 stralen.
Hij wordt zelden langer dan 20 cm.
De leefwijze komt overeen met die van de Adriatische blankvoorn, en hij wordt vaak als een ondersoort daarvan beschouwd.

De Portugese blankvoorn (Rufilus macrolepidotus) lijkt sterk op de vorige soort; hij bezit ook zo’n opvallende, grijze lengteband.
Alle vinnen (ook de rugvin) zijn roodachtig, met een blauwe rand.
Het areaal is beperkt tot een klein gebied in Noord-Portugal.
Naar verluidt houdt hij zich minder in open water op dan zijn Zuid-Europese verwanten; hij prefereert dichte vegetatie nabij de oever.

Eender gekleurd is ook de Pardilla-blankvoorn (Rutilus lemmingii) uit Portugal en Zuidwest-Spanje.
Deze soort herkent men aan de gestrekte lichaamsvorm, de stompe snuit met iets onderstandige bek, en aan de vrij kleine schubben (59-63 op de zijlijn).
Meestal wordt hij niet langer dan 13-15 cm; hij schijnt vooral in dieper water voor te komen en leeft daar vermoedelijk van ongewervelde bodemdiertjes.

De Calandino-blankvoorn (Rutilus alburnoides) uit hetzelfde gebied is een klein visje met een slank, langgestrekt lichaam en een brede band over de flanken; de lengte bedraagt meestal 10-12, bij uitzondering 15 cm.
De mondspleet is schuin opwaarts gericht, de schubben zijn vrij groot (39-46 op de zijlijn), en de staartvin is bijna geheel met kleine schubjes bedekt; alle vinnen zijn kleurloos.
Deze soort leeft in kleine scholen nabij het oppervlak van rustige wateren.

Uit Zuid-Griekenland (de wijdere omgeving van Sparta) is de ‘menida’ (Tropidophoxinellus
spartiaticus) beschreven; deze wordt hoogstens 12cm lang, heeft een slank lichaam en een kleine, eindstandige bek.
De keeltanden (5-5) zijn klein en haakvormig.
Hij bezit de voor veel mediterrane Rutilus-soorten gebruikelijke donkere band op de flanken, maar die is hier met geel afgezet, en ook de achterste helft van de buik is geelachtig, niet wit zoals bij verwanten.
De mannetjes hebben langere vinnen, blijven kleiner en zijn meer groenachtig van kleur dan de (bruingrijze) vrouwtjes; in april en mei krijgen ze paringsuitslag.

De Moranec (Pachychilon pictum) is een volledig onbeschubde, slanke, kleine vis met spitse kop en relatief lang uitgetrokken vinnen.
De lippen zijn tamelijk dik.
De rugvin heeft 10-11 stralen, waarvan de voorste opvallend verkort is.
Rugzijde en bovenkop zijn bruingrijs tot zwart, de buikzijde is lichtgekleurd; op de rug en de flanken ziet men talrijke kleine, donkere stipjes.
Deze soort is endemisch in Albanië, met name in het Skutari-meer en het Ohrid-meer, waar hij vrij grote scholen vormt in ondiep water.
Over de biologie van de soort is weinig bekend.

De Macedonische diklipvorm (Pachychilon macedonicum) uit het zuidelijke Balkangebied (Vardar- en Dojran-meren) is te herkennen aan de geringe grootte (12-15, hoogstens 18 cm), het hoge, gedrongen lichaam, grote schubben (42-45 op de zijlijn) en opvallend dikke lippen; de keeltandformule luidt 4-4(5).
Hij is vrij kleurig: de rug is donkerblauw of groenachtig, de flanken zijn witachtig met een donkere overlangse streep die op de staartsteel in een grote vlek eindigt, en de buik is vaak geelachtig.
Deze dieren leven meestal in grote scholen in plantenrijke, rustige watergedeelten, waar ze in april en mei ook paaien.

In enkele wateren in het Balkangebied bestaan nog andere vormen, waarvan de systematiek onvoldoende is opgehelderd.
De economische betekenis van al deze mediterrane karperachtigen is gering; ze worden hooguit door de plaatselijke bevolking wel eens gegeten.
Zie ook....


Terug naar boven
De natuur alles over de natuur
http://www.de-natuur.be/pages/de_natuur.html
http://www.de-natuur.be/pages/aarde.html
http://www.de-natuur.be/pages/natuurverschijnselen.html
http://www.de-natuur.be/pages/bodem_en_compost.html
http://www.de-natuur.be/pages/bloemen_en_planten_1.html
http://www.de-natuur.be/pages/bloemen_en_planten_2.html
http://www.de-natuur.be/pages/klimplanten.html
http://www.de-natuur.be/pages/waterplanten.html
http://www.de-natuur.be/pages/struiken.html
http://www.de-natuur.be/pages/bomen.html
http://www.de-natuur.be/pages/fruitbomen.html
http://www.de-natuur.be/pages/esdoorns.html
http://www.de-natuur.be/pages/notebomen.html
http://www.de-natuur.be/pages/populieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/paddestoelen_1.html
http://www.de-natuur.be/pages/paddestoelen_2.html
http://www.de-natuur.be/pages/kruiden.html
http://www.de-natuur.be/pages/kruiden_2.html
http://www.de-natuur.be/pages/cactussen_en_vetplanten.html
http://www.de-natuur.be/pages/amfibieen.html
http://www.de-natuur.be/pages/kikkers.html
http://www.de-natuur.be/pages/padden.html
http://www.de-natuur.be/pages/salamanders.html
http://www.de-natuur.be/pages/apen.html
http://www.de-natuur.be/pages/buideldieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/haasachtigen.html
http://www.de-natuur.be/pages/herten.html
http://www.de-natuur.be/pages/hoefdieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/huisdieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/insecteneters.html
http://www.de-natuur.be/pages/knaagdieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/roofdieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/spinnen.html
http://www.de-natuur.be/pages/vleermuizen.html
http://www.de-natuur.be/pages/zeezoogdieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/reptielen.html
http://www.de-natuur.be/pages/kameleons.html
http://www.de-natuur.be/pages/groene_leguaan.html
http://www.de-natuur.be/pages/insecten.html
http://www.de-natuur.be/pages/bijen.html
http://www.de-natuur.be/pages/dagvlinders.html
http://www.de-natuur.be/pages/kevers.html
http://www.de-natuur.be/pages/krekels.html
http://www.de-natuur.be/pages/libellen.html
http://www.de-natuur.be/pages/luizen.html
http://www.de-natuur.be/pages/nachtvlinders.html
http://www.de-natuur.be/pages/sprinkhanen.html
http://www.de-natuur.be/pages/teken.html
http://www.de-natuur.be/pages/pijlstaarten.html
http://www.de-natuur.be/pages/vliegen.html
http://www.de-natuur.be/pages/waterjuffers.html
http://www.de-natuur.be/pages/vogels.html
http://www.de-natuur.be/pages/uilen.html
http://www.de-natuur.be/pages/grijze-roodstaart.html
http://www.de-natuur.be/pages/pimpelmees.html
http://www.de-natuur.be/pages/koolmees.html
http://www.de-natuur.be/pages/roofvogels.html
http://www.de-natuur.be/pages/watervogels.html
http://www.de-natuur.be/pages/vissen.html
eXTReMe Tracker