|
Graskarper - Ctenopharyngodon idella |
|
|
| Korte beschrijving |
| Een langgestrekte, spoelvormige karperachtige met grote schubben en afgeronde rugvin; alle vinnen kort. |
| Kenmerken |
|
Lichaam langgestrekt, zijdelings weinig samengedrukt. Lengte tot 1,2 m. Kop fors, maar niet lang; mondspleet breed en iets onderstandig. Geen baarddraden. Schubben groot; zijlijn volledig. Rug- en aarsvin kort, met afgeronde rand; staartvin met duidelijke uitbochting. Rugzijde bruinachtig-groen; flanken lichter groen- of blauwachtig, glanzend; buik wit; nettekening over de hele romp, door de donkere achterranden van de schubben. Vinnen donkergrijs. 42-45 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 10, aarsvin 10-11, borstvin 21, buikvin 10. Keeltanden (1)2, (4)5 - 5(4).2. |
| Verwisselbare soorten |
|
De vooral in de jeugd zeer eendere Kopvoorn (Leuciscus cephalus) onderscheidt zich door de eindstandige bek, minder (3-4) rijen schubben onder de zijlijn, en een niet-afgeronde rugvin. De Serpeling (Leuciscus leuciscus) heeft kleinere schubben en een uitgeholde aarsvin; hij mist het netpatroon. |
|
|
| Leefwijze en biotoop |
|
De Graskarper is helemaal niet nauw verwant met de Karper, in weerwil van zijn inmiddels goed ingeburgerde naam. Hij behoort tot de groep voornachtigen rond het geslacht Leuciscus; dat geldt overigens ook voor de hier onder nog te noemen ‘Verwante soorten’. De Graskarper is een voedselspecialist, die uitsluitend van plantenkost leeft. Hij eet niet alleen algen en zachte waterplanten, maar ook harde plantendelen; met zijn mesvormige, gezaagde keeltanden kan hij die fijnkauwen, en het darmkanaal is aangepast om ze te verteren. In vijvers kunnen Graskarpers zelfs met gras gevoederd worden (naam!). Toch kunnen ze zulke zware kost maar gedeeltelijk verteren; daarom moet elke dag tot 120 procent van het lichaamsgewicht aan gras door de darm van het dier passeren. De Graskarper stamt uit Oost-Azië. Zijn oorspronkelijke areaal is ook daar niet meer precies vast te stellen, want hij wordt al ongeveer 1000 jaar voor consumptie in vijvers gekweekt en is dus ook overal heengebracht. Waarschijnlijk leefde hij van nature in de grote rivieren van Zuid-China; daar komt hij ook nu nog voor. Van hun ‘weidegronden’ in de benedenlopen trekken ze in de paaitijd stroomopwaarts naar snelstromende rivierdelen met grindbodem. De afgezette eieren zwellen sterk op, gaan drijven en worden met de stroom meegevoerd; ze komen al na 1-2 dagen uit. De jongen leven eerst nog van dierlijk plankton, maar als ze 3cm lang zijn beginnen ze ook plantenkost te eten, en bij een lengte van 10 cm zijn ze volledig vegetarisch. Gepaaid wordt bij temperaturen boven 20°C (bij voorkeur 22-29 °C). In de warme wateren van China groeit deze soort ook snel, en de dieren worden al na 3-4 jaar geslachtsrijp. Omdat ze grove plantenkost aankunnen, heeft men in de jaren zestig in allerlei gebieden (ook in Europa) geprobeerd ze uit te zetten, soms voor de visproductie, vaak ook om wateren onkruidvrij te houden (zo ook bij ons). In Europa bleek de visproductie niet rendabel, wegens de trage groei bij de hier heersende temperaturen. Als onkruidbestrijder was de Graskarper wel een groot succes. Hij komt zonder problemen de winter door; echter, het water wordt in onze streken niet warm genoeg om natuurlijke voortplanting mogelijk te maken. In de eerste, euforische jaren, toen men Graskarpers uitzette in alle mogelijke kunstmatige en natuurlijke wateren , zagen de viskwekers twee dingetjes over het hoofd. Eerstens neemt de voedselbehoefte van deze langlevende dieren toe met hun afmeting; tweedens zijn ze moeilijk weer uit het water te verwijderen, of men moest ze geheel droogleggen; ze eten immers alleen planten en nemen geen aas op een haak aan. Er werd dus veel meer onkruid verdelgd dan iedereen lief was, en op veel plaatsen ontstonden onder waterwoestijnen, gespeend van iedere plantengroei. Thans wordt het uitzetten van Graskarpers in natuurlijke wateren als grove kunstfout gezien; maar in gesloten vijvers waar de soort niet uit kan ontsnappen bewijst hij nog steeds goede diensten, mits de dichtheid laag wordt gehouden. Voor tuinvijvers worden de dieren veel te groot. Mensen met een grote vijver zullen zeker meer plezier beleven aan de inheemse, eveneens herbivore Ruisvoorn (Scardinius erythrophthalmus). In de zuidelijke VS, waar de Graskarper zich wel spontaan kan voortplanten, werd hij een regelrechte plaag, met funeste gevolgen voor de inheemse flora en fauna. In de meeste staten aldaar is het uitzetten ervan nu verboden. Ook in Nederland is beperkende wetgeving van kracht. |
| Verspreiding |
| Oost-Azië, van Vietnam tot Noord-China; uitgezet in Europa, Noord-Amerika en andere werelddelen. |
|
|
| Verwante soorten |
|
De Zilverkarper (Hypophthalmichthys molitrix) bewoont diepe, warme rivieren en meren in Oost-Azië; hij wordt ongeveer 1 m lang, heeft een grote, sterk bovenstandige bek en kleine, laag in de kop geplaatste ogen. De schubben zijn zeer klein (110-124 op de zijlijn). Jonge dieren hebben zilverglans, oude exemplaren zijn nogal uniform grijs. De Zilverkarper leeft van het allerfijnste fytoplankton (met een deeltjesgrootte van minder dan 0,1 mm), dat hij met behulp van de tot een fijne zeef vergroeide kieuwboogaanhangsels uit het water filtert. In zijn vaderland plant hij zich voort op overstroomde uiterwaarden, bij een temperatuur van 23-24 °C; een vrouwtje kan een half miljoen eieren produceren, die vrij in het water zweven. De jonge visjes eten eerst klein dierlijk voedsel, maar gaan bij een lengte van ca. 5 cm op fytoplankton over. Ook deze soort is in de jaren zestig in Europa ingevoerd. Men hield hem in vijvers, en ook hoopte men dat hij algenbloei zou bestrijden, zoals die ‘s zomers vaak in eutrofe meren en plassen optreedt. De resultaten variëren; in sommige meren waar hij was uitgezet daalde weliswaar de algenbiomassa, maar nam de sedimentatie toe. Vervuilde meren kan men er in elk geval niet mee redden, dat is wel zeker. In de vrije natuur kan de Zilverkarper zich in Europa niet vermeerderen, gezien zijn hoge temperatuureisen. Ook de nauwverwante Grootkopkarper (Hypophthalmichthys nobilis) is in Europa in gevoerd om algen te bestrijden. Hij komt uit Zuid-China, en onderscheidt zich van de Zilverkarper door de gekielde buik tussen de buikvinnen en de aarsvin, een donkere marmertekening, nog lager in de kop gezette ogen en meer rugvinstralen (13, bij de Zilverkarper 10). In zijn vaderland moet hij 2 m lang kunnen worden, maar in ons koude werelddeel blijft hij veel kleiner. Pas nadat (!)hij met succes was uitgezet, stelde men vast dat hij als volwassen vis in hoofdzaak van dierlijk plankton leeft, zodat het verhoopte effect (onttroebeling van vervuilde meren) verder weg kwam te liggen dan ooit. Door het wegvangen van de planktondiertjes, die immers van planktonalgen leven, werd de algenbloei juist bevorderd. Bij al deze pogingen om vissen te laten inburgeren kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat men zich heeft laten leiden door erg naďeve voorstellingen over de biologie - het principe van trial and error, ofwel ‘de wal keert het schip’. Nog zo’n voorbeeld levert de ‘Zwarte Amoer (Mylopharingodon piceus). Deze werd uit Oost-Azië ingevoerd als vermeende plantenbestrijder; men had dat mogelijk afgeleid uit de brede ‘maaltanden’ in de keel. Maar het dier bleek (pas nadat hij was uitgezet, natuurlijk) gespecialiseerd te zijn in het eten van slakken. Wat men met deze experimenten wel bereikte was, dat er nieuwe parasieten en ziekten werden geďmporteerd, terwijl met de pootvis ook andere, potentieel schadelijke visjes werden meegeleverd (zoals de Tsjebatsjek, Pseudorasbora parva) en ook exotische schelpdiersoorten (via in de vishuid verborgen glochidiën), die op diverse plaatsen in Zuid-Europa thans bezig zijn de inheemse soorten te verdringen. |
Terug naar boven


