|
Meerval - Silurus glanis |
|
Beschrijving Kenmerken Verwisselbare soorten Leefwijze en biotoop Verspreiding Verwante soorten ![]() |
| Beschrijving |
| Een zeer grote, langgestrekte, ongeschubde vis met een brede mondspleet, drie paar zeer lange baarddraden, een uiterst klein rugvinnetje en een zeer lange aarsvin. |
| Kenmerken |
|
Het lichaam van de meerval is langgestrekt en in de voorste helft rolrond, achter de aars zijdelings samengedrukt. Lengte meestal 1-1,5 m, maximaal 3m (dan tot 150 kg zwaar). Kop zeer groot, breed en afgeplat; mondspleet eindstandig en zeer breed, inwendig met talrijke naar achteren gekromde haaktanden bezet. Opzij van de bovenkaak zit 1 paar zeer lange baarddraden; de kin draagt nog twee paar kortere baarddraden. Ogen zeer klein. Schubben ontbreken geheel; de zijlijn is wel volledig. Rugvin extreem kort. Aarsvin en staartsteel sterk verlengd; staartvin klein. Geen vetvin. Rugzijde meestal grijszwart of donkerbruin, flanken lichter met donkere marmertekening, buik witachtig, soms iets roze aangelopen. Vinstralen: rugvin 3-5, aarsvin 84-92, borstvin 15-18, buikvin 11-13. |
| Verwisselbare soorten |
|
De Aristoteles-meerval (Silurus aristotelis) heeft maar 1 paar baarddraden aan de kin. De Amerikaanse dwergmeervallen (Ictalurus soorten) hebben een extra paar baarddraden aan de bovenkaak, een vetvin en een veel kortere aarsvin. |
![]() |
| Leefwijze en biotoop |
|
De orde der Meervalachtigen (Siluriformes) telt wereldwijd ongeveer 2000 soorten, de meeste in de tropen. Meervallen zijn in de verte verwant met de karperachtigen en vertonen talrijke overeenkomsten daarmee in inwendige bouw. Het zijn ook ‘primaire zoetwatervissen’, dat wil zeggen dat de groep in zoet water is ontstaan en niet uit de zee is gekomen (zoals bijv. de baarsachtigen of de Aal). Deze reusachtige, vormenrijke groep wordt in ongeveer 30 families onderverdeeld, waarvan er slechts één, de ‘Echte meervallen’ (Siluridae) met twee soorten in Europa vertegenwoordigd is. De Europese Meerval (S. glanis) is een solitair levende, standplaatstrouwe vis van langzaam stromende of stilstaande wateren met een zachte bodem. Hij is thermofiel en bewoont het liefst wateren die ‘s zomers een temperatuur van minstens 20 °C bereiken. Aan de waterkwaliteit en het zuurstofgehalte stelt hij weinig eisen, en in het mondingsgebied van rivieren dringt hij ook in brak water door. Hij is’s nachts actief; overdag schuilt hij weg onder boomwortels, overhangende oevers of op andere beschutte plaatsen. ‘s Nachts gaat hij op voedseljacht, waarbij hij alles eet wat in zijn bek past; naast vissen (vaak Zeelt) ook amfibieën, watervogels en kleinere zoogdieren. Bij het voedselzoeken spelen de gereduceerde ogen geen rol; wel zijn de geur, smaak- en tastzin hoog ontwikkeld. Meervallen horen ook uitstekend; de geluidsgolven worden (net als bij Karperachtigen) door de zwemblaas versterkt en via een stelsel van verbonden beenstukjes (het ‘Orgaan van Weber’) naar het inwendige oor overgebracht. Bovendien bezitten ze elektroreceptoren, waarmee ze prooien kunnen waarnemen aan de hand van hun zwakke elektrische velden. Meervallen paaien meestal tussen mei en juli, zodra de watertemperatuur boven 18 °C is gestegen. Ze zetten paarsgewijs af in ondiep water tussen dichte begroeiing; vaak worden ze tot afzetten opgewekt door plotselinge daling van de luchtdruk (bijv. bij naderend onweer). De eieren zijn ca. 3 mm in diameter en worden in een ondiepe kuil of een primitief nest van planten gelegd, of soms aan losgespoelde boomwortels e.d. gekleefd. Een vrouwtje kan per kilogram lichaamsgewicht ca. 30000 eieren produceren. Het nest wordt door het mannetje bewaakt, tot de eieren uitkomen, wat al na 3- 10 dagen plaatsvindt. De jongen teren eerst op hun dooierzak en eten daarna kleine ongewervelde diertjes. De Meerval groeit zeer snel en kan aan het eind van de eerste zomer al een pond zwaar zijn geworden; 2-3 jaar oude dieren met een gewicht van 1-2 kilo zijn al geslachtsrijp. Over de leeftijd die ze kunnen bereiken gaan vele legenden rond; een ouderdom van minstens 80 jaar is al eens echt bewezen. De economische betekenis van deze imposante vissen verschilt per streek. In Zuid-oost-Europa worden ze door beroepsvissers in fuiken of met de liggende haak gevangen; ook in de Donau was de Meerval vroeger een belangrijke consumptievis, tot in Beieren. In andere gebieden wordt hij als schadelijk beschouwd, omdat hij vooral onder Karpers en Zeelten grote slachtingen kan aanrichten. Echter, voor de hengelsport wordt de Meerval tegenwoordig in allerlei wateren uitgezet. Het staat wel vast dat de Meerval zich in Midden- Europa nog maar zelden langs natuurlijke weg kan voortplanten zodat het bestand van pootvis afhangt. Als oorzaak voor de achteruitgang noemt men de vernietiging van de in ondiep water gelegen paaiplaatsen door oeverbevestiging en bedijkingen langs rivieren. Toch is Midden-Europa in klimatologisch opzicht beslist onderdeel van het natuurlijke areaal, zij het marginaal. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk in hoeverre de Meervallen die vroeger in de Beierse Donau werden gevangen uiteindelijk toch uit het warmere zuidoosten afkomstig waren; in elk geval kunnen ze zulke reizen stroomopwaarts nu niet meer maken, door alle stuwdammen. Meervallen krijgt men meestal in de zomermaanden aan de hengel, omdat ze na de paaitijd erg veel eten en dus ook gemakkelijk aan het aas gaan. |
| Verspreiding |
|
Oorspronkelijk inheems van het Aral-bekken tot het stroomgebied van de Elbe en Oost-Frankrijk (Doubs); sedert ongeveer 100 jaar geleden in Engeland ingevoerd, en thans door uitzetten van pootvis ook elders verbreid geraakt (zeldzaam in Nederland: Westeinder plassen, Limburgse Maas). In het noordwesten van zijn natuurlijke areaal gaat hij sterk achteruit (bijv. Zuid-Zweden). |
![]() |
| Verwante soorten |
|
De Aristoteles-meerval (Silurus aristotelis) is een nauwverwante soort, verschillend door het ontbreken van een van beide paren baarddraden op de kin: hij wordt niet zo lang (maximaal 2 m). Het areaal is geheel beperkt tot Noordwest-Griekenland. De leefwijze komt (zover bekend) met die van S. glanis overeen. Hij is naar Aristoteles genoemd, omdat deze wijsgeer al in de Oudheid een beschrijving heeft gegeven van de nestbouw en de broedzorg bij deze vis. |
Terug naar boven




