Google
 
Web www.de-natuur.be

Steur - Acipenser sturio

Steur Steur
Korte beschrijving
Grote, meestal 1-2 m lange vis met lang uitgetrokken snuit, onderstandige mondspleet en vijf overlangse rijen grote, knobbelvormige beenschilden; staartvin asymmetrisch.
Kenmerken
Lengte meestal 1-2 m; oude exemplaren (maar die bestaan nauwelijks meer) kunnen 6 m lang en 1000 kg zwaar worden; de mannetjes blijven kleiner.
De lichaamsvorm is haaiachtig, evenzo de asymmetrische (heterocerke) staart, waarbij de wervelkolom in de bovenste, veel grotere staartvinlob doorloopt.
De rugvin is ver naar achteren geplaatst.
Schubben ontbreken; wel zijn er 5 rijen beenplaatjes: een rij van 9-16 knobbelvormige rugschilden, een rij dicht opeenstaande, deels zelfs dakpansgewijs geplaatste schilden op beide flanken, en twee rijen met 8-14 schilden op de buik.
Ook in de naakte huid tussen de rijen in zijn kleine beenplaatjes onregelmatig verdeeld; deze vallen vooral bij jonge dieren op.
De kop is in een brede, aan de top iets opgebogen punt (rostrum) uitgetrokken.
Aan de onderkant daarvan staan vier baarddraden in een overdwarse rij; deze zijn rolrond, zonder franje, en reiken platgelegd net niet tot de mondspleet.
De brede, onderstandige mondspleet neemt 2/3 deel van de snuitbreedte in beslag en is slurfvormig uitstulpbaar; de onderlip is gedeeld.
De rugzijde is grijs tot bruinachtig, de buikzijde lichtgekleurd.
Verwisselbare soorten
In de Noordzee, de Atlantische Oceaan en de westelijke Middellandse Zee is dit de enige steurachtige, langs de oostkust van de Oostzee komen ook nog de Sterlet en de (aldaar uitgezette) Siberische gladbuiksteur voor.
In de Adriatische Zee, de Zwarte Zee en de Kaspische Zee even echter verscheidene nauwe verwanten.
A. sturio is van alle verwanten te onderscheiden door de volgende kenmerken: baarddraden zonder franje, dichter bij de mondspleet dan bij de snuitpunt; mondspleet recht en relatief klein, niet tot de zijrand van de snuit reikend.
Op andere verschilkenmerken wordt onder het kopje ‘Verwante soorten’ ingegaan.
Kaviaar Kaviaar
Leefwijze en biotoop
Steuren en hun verwanten zijn nazaten van een oude, archaïsche groep beenvissen; in hun huidige vorm bestaan ze al minstens 70 miljoen jaar.
Ze vertonen een reeks van primitieve kenmerken, die bij ‘moderne’ vissen niet meer voorkomen, zoals de heterocerke staart die uiterlijk op die van haaien lijkt.
Andere primitief lijkende kenmerken zijn in wezen juist nieuw verworven eigenschappen, zo als het kraakbenige skelet (hun voorouders hadden wel echt been) en de onbeschubde, met grote beenplaten bezette huid (resten van normale schubben ziet men nog op de bovenrand van de rugvin).
Alle steurachtigen (familie Acipenseridae) leven op het noordelijk halfrond, in zee of in zoet water.
Het onderscheid tussen de geslachten Acipenser (17 soorten) en Huso (2 soorten) berust op de grootte en vorm van de mondspleet.
De meeste steurachtigen zijn anadrome trekvissen, die in zoet water paaien.
Na de eiafzetting keren de dieren terug naar zee; deze trektochten worden in het leven van een dier dikwijls herhaald.
Als de jonge visjes uit het ei zijn gekomen, blijven ze meestal ook niet lang meer in de rivieren.
De systematiek van deze dieren is erg gecompliceerd.
Er zijn veel ondersoorten en populaties die geografisch geïsoleerd zijn en vaak duidelijke verschillen vertonen; ook zijn er groepen die in verschillende seizoenen naar dezelfde rivier trekken, of die meer of minder ver stroomopwaarts reizen.
Voorts zijn er bij sommige soorten ook populaties die permanent in zoet water leven, en weer andere die helemaal niet de rivier opzwemmen maar in brak water in het mondingsgebied paaien.
Door deze veelzijdige opsplitsing, die in de loop van miljoenen jaren is ontstaan, maken de dieren optimaal gebruik van de beschikbare voedselvoorraden en paaiplaatsen.
Regulering van rivieren, watervervuiling en overbevissing van de zeeën heeft daaraan echter in vijftig jaar tijds een einde gemaakt.
Stuwen in de benedenloop van grotere rivieren hebben de meeste soorten van hun paaigronden afgesneden.
Vistrappen kunnen door steurachtigen, gezien hun grootte, niet gebruikt worden.
Alleen doordat sommige dieren zich met schepen in sluizen laten meeschutten vindt men sporadisch nog dieren stroomopwaarts, boven de stuwen, maar het zijn er te weinig om de voortplanting op peil te houden.
Watervervuiling (zowel van de zee, als van zoete wateren) eist een verdere tol van deze zuurstofbehoeftige vissen.
De belangrijkste factor is echter de decimering van de populaties door de grootschalige zeevisserij in de kustwateren.
Daarbij worden ook de nog niet geslachtsrijpe, jonge dieren weggevangen, terwijl het toch vaak meer dan 20 jaar duurt voor de vrouwtjes geslachtsrijp worden.
Door al deze factoren staan de soorten op het punt van uitsterven; alleen wordt een deel er van kunstmatig in massa voortgekweekt.
Aldus probeert men de vissen voor de visserij te behouden; niet alleen het vlees is economisch waardevol, maar vooral ook de kuit (kaviaar), waaraan veel deviezen kunnen worden verdiend.
Jaarlijks wordt ca. 30000 ton steur gevangen (alle soorten tesamen); 90 procent daarvan komt uit de Kaspische Zee, de rest in hoofdzaak uit de Zwarte Zee.
De ongeremde vervuiling van deze wateren door de aangrenzende naties, alsook de roofbouw die men sinds de ineenstorting van de Sovjet-Unie op de bestanden pleegt, zullen waarschijnlijk ook in die gebieden weldra tot de uitroeiing van de steurachtigen leiden.
Sinds enige jaren probeert men zoete wateren (bijv. stuwmeren) dienstbaar te maken aan de steurproductie.
Daartoe worden voor al bastaarden (bijv. van Huso en Sterlet) uitgebroed, die sneller groeien dan de beider oudersoorten.
Onduidelijk is nog, welke effecten het massale uitzetten van bastaardvormen op de wilde populaties heeft.
Acipenser sturio, de ‘gewone’ Steur, trekt in het voorjaar vanuit zee de rivieren op.
Op veel plaatsen worden ook in de herfst trekkende vissen waargenomen, die dan voor de paaitijd in zoet water een winterrust houden.
Vroeger trokken Steuren soms wel 1000 km de rivier op; in de Rijn zijn ze zelfs bij Basel waargenomen.
Van maart tot augustus (maar meestal in juni en juli) paaien de dieren in diepe kuilen in de grindbedding van rivieren; een enkel vrouwtje kan tot 2,5 miljoen kleverige, zwarte eieren afzetten.
De volwassen dieren keren na de paartijd terug naar zee; in elk geval een deel van de jongen blijft 2-4 jaar in zoet water, maar dat verschilt per rivier.
Als ze de zee bereikt hebben, blijvende jonge dieren vaak nog lang in brak water nabij de monding; pas als ze 4 of 5 jaar oud zijn, verdragen ze de zoutconcentratie van de open zee.
Ook de oude dieren vindt men meestal in ondiep water nabij de kust, waar ze met gelijkmatige bewegingen vlak boven de bodem zwemmen.
Voedsel wordt met de baarddraden opgespoord en door de uitstulpbare mondspleet ‘opgezogen’; de dieren bezitten geen tanden.
Kleine exemplaren eten in de bodem levende ongewervelden (slakken, schelpdieren, wormen e.d.), zowel in zee als in zoet water.
Grotere dieren leven in toenemende mate van bodemvissen.
Steuren kunnen heel oud worden, waarschijnlijk ongeveer 50 jaar; de mannetjes worden pas na 7-15 jaar geslachtsrijp, de vrouwtjes na 8-20 jaar (streekafhankelijk).
Het is wel eigenaardig dat deze soort, die van alle Europese steurachtigen veruit het grootste verspreidingsgebied heeft, toch het sterkst met uitsterving bedreigd wordt; en dat terwijl hij nog tot het eind van de l9de eeuw in bijna alle Europese rivierstelsels (uitgezonderd de Donau) echt algemeen was.
De instorting van de populatie deed zich al rond 1900 voor, als gevolg van schaamteloze overbevissing; tussen 1890 en 1910 daalde de jaarproductie van de steurvisserij op de Elbe van ruim 4000 stuks tot minder dan 100.
Thans speelt deze soort nergens meer een economische rol.
Omdat ook de laatste noemenswaardige bestanden (bijv. in de Gironde) drastisch achteruitgaan, moet worden gevreesd dat de soort weldra zal uitsterven.
Verspreiding
Europese kustwateren, van de Noordkaap via Noord- en Oostzee tot de noordrand van de Middellandse Zee en de Zwarte Zee, en tot in de middenloop van de daarin uitmondende rivieren; in het Donaustelsel is de soort alleen uit de rivierdelta bekend.
Een stationaire zoet watervorm leeft in het Ladogameer.
Ondersoorten zijn niet beschreven, maar de Oostzeevorm vertoont wel enkele afwijkende kenmerken.
Spitssnuitsteur Spitssnuitsteur
Verwante soorten
De Russische steur (Acipenser gueldenstaedtii) leeft in de Zwarte Zee en de Kaspische Zee en de daarin uitmondende rivieren.
Hij wordt meestal 1,3-2,5 m lang, al zijn ook exemplaren van 3 m waargenomen.
Het lichaam is meer gedrongen en hoger van rug dan bij de gewone Steur.
De 8-18 ver van elkaar verwijderde rugschilden lopen naar achteren in een punt uit; ook de 24-50 flankschilden laten duidelijke tussenruimten vrij; er zijn 6-13 buikschilden (per rij).
De snuit verschilt nogal van vorm, maar is meestal duidelijk breder en korter dan bij de Steur; de mondspleet is klein, met gedeelde onderlip.
De rugzijde is meest al bruinachtig, de buik geelwit.
Uit het gehele areaal van de soort zijn verscheidene ondersoorten beschreven, daarnaast zijn er veel ecologisch gescheiden populaties: er zijn anadrome vormen die verschillend ver de rivieren optrekken, en waarvan de jongen na ongeveer een jaar naar zee terugtrekken, maar klaarblijkelijk ook stationaire zoetwatervormen (in de Donau en de Wolga), en vormen
die permanent in zee leven - of althans was dat vroeger zo.
Voor de bouw van stuwen in de Donau trok de Russische steur stroomopwaarts tot Regensburg.
De ei-afzetting vindt plaats in diepe rivierdelen met stenige bodem, of ook wel boven zandbanken in ondiep water bij de monding.
Het vrouwtje verspreidt daarbij de eieren (tot 800000 stuks, bij grote exemplaren) over een oppervlakte van honderden vierkante meters.
In zee blijft de Russische steur meestal in ondiep water nabij de riviermonden.
Hun voedsel bestaat (meer dan bij andere steurachtigen) uit weekdieren; ook de volwassen vissen leven daar grotendeels van.
In de Kaspische Zee leefden ze vroeger in hoofdzaak van kleine haringachtigen uit het geslacht Clupeonella, maar sinds de jaren dertig van de 20ste eeuw stapten ze over op een menu van bepaalde slakken en borstelwormen die door de mens in deze binnenzee waren gebracht, al of niet opzettelijk.
De economische betekenis van de Russische steur is groter dan van alle andere soorten samen, de grootste bestanden bevinden zich aan de noordkant van de Kaspische Zee.
Aan de instorting van de populatie werd een halt toegeroepen door een vangstverbod in de Kaspische Zee (waar men zich echter in Iran niets van aantrekt) en ook door het massaal uitzetten van kunstmatig gefokte jonge dieren.
De meeste voor de handel bestemde dieren komen nu uit zulke broedkwekerijen.
De Perzische steur (Acipenser persicus) werd tot voor kort als een ondersoort van de Russische steur opgevat.
Hij onderscheidt zich daarvan door het iets slankere lichaam, een langere, iets omlaaggebogen snuit en de meer blauwgrijze kleur.
Hij leeft in de Kaspische Zee, is meer warmteminnend en prefereert dus het zuidelijke deel daarvan; recent zou hij ook aan de oostzijde van de Zwarte Zee zijn waargenomen.
Hij is minder op weekdieren gespecialiseerd dan de Russische steur, en hij eet regelmatig vis (Clupeonella soorten).
De bestanden en ook zijn economische betekenis zijn veel geringer dan die van de Russische steur.
De Spitssnuitsteur (Acipenser stellatus) wordt slechts 1-1,5 m, of maximaal 2 m lang; zijn areaal komt grotendeels overeen met dat van de Russische steur, maar hij is sporadisch ook in de Adriatische Zee aangetroffen.
In het Donaugebied trok hij (toen er nog geen stuwen waren) stroomop tot de Isar.
Het lichaam is zeer slank en langgestrekt; de snuit is lang uitgetrokken en zwaardvormig afgeplat; de onderlip is in het midden gedeeld.
De 9-16 dicht bijeenstaande rugschilden hebben een scherpe, naar achteren gerichte punt; er zijn 26-43 flankschilden die elkaar niet bedekken, en 9-14 schilden op de buik (per rij).
De huid tussen de rijen beenplaten is dicht met kleinere, stervormige beenplaatjes bedekt.
De Spitssnuitsteur is donkerder en meer contrastrijk van kleur dan verwante soorten; de rugzijde is donker roestbruin tot bijna zwart, de buik zilverwit tot grijsgeel.
Ook van de Spitssnuitsteur bestaan talrijke geografische en ecologische vormen.
In elk geval in de Zuid-Russische rivieren kan men een zomer- en een wintervorm onder scheiden, afhankelijk van de tijd waarin ze de rivier opzwemmen om te paaien.
De zomervorm komt niet verder dan de riviermonding en zet daar de eieren af; de zeldzamere wintervorm trekt maandenlang verder, tot de bovenlopen.
Spitssnuitsteuren hebben voor de ei-afzetting hogere temperaturen nodig dan andere steurachtigen; de beide vormen paaien in de zomer (in de Donau later dan de Huso en de Russische steur).
De jongen komen na 2-4 dagen uit het ei en trekken weldra terug naar zee.
Ook de Spitssnuitsteur eet vooral benthische ongewervelden en vissen, maar hij fourageert vaker dan andere soorten in de middelste en hogere waterlagen, althans in zee.
Daarbij kan men ze overdag meer in open water waarnemen; ‘s nachts zoeken ze voedsel op de bodem.
Nadat de Kaspische Zee rond 1960 was veroverd door ingevoerde slakken en wormen, gingen ook de daar levende Spitssnuiststeuren grotendeels over op een menu van deze ongewervelden, net als de Russische steuren.
De Spitssnuitsteur wordt relatief vroeg geslachtsrijp: mannetjes na 5-6 jaar, vrouwtjes na 7-12 jaar.
Waarschijnlijk worden ze niet ouder dan 40 jaar.
Tussen twee trektochten brengt elk dier verscheidene jaren in zee door; een vrouwtje paait vermoedelijk niet vaker dan 3 maal in haar leven.
Wat betreft de economische betekenis voor de Russische steurvisserij staat de Spitssnuitsteur op de tweede plaats, na de Russische steur; ook voor deze soort is de Kaspische Zee weer het belangrijkste water.
Door de aanleg van stuwdammen is de soort uit grote gebieden verdwenen; om de bestanden te behouden heeft men met succes kunstmatige paaigronden van grind aangelegd, en tevens worden gekweekte jonge dieren in massa uitgezet.
In de jaren dertig van de 20 ste eeuw werd de soort ook in het Aralmeer ingevoerd.
Gladbuiksteur Gladbuiksteur
De Gladbuiksteur (Acipenser nudiventris) wordt maar iets groter dan de Spitssnuitsteur (tot 2,2 m); hij is echter veel gedrongener van vorm.
Hij heeft opvallend veel (49-75) schilden op de flanken; bij de 11-17 rugschilden zit de punt achter het midden van de beenplaat (anders dan bij verwante soorten).
De huid tussen de rijen schilden draagt slechts zeer kleine beenplaatjes en voelt glad aan.
De snuit is kort en stomp, de baarddraden hebben franje aan de binnenrand, de onderlip is niet gedeeld.
De rugzijde is grijs tot bruin, de buik bijna wit.
De Gladbuiksteur komt voor in de Zwarte Zee en de Kaspische Zee, met de bij behorende rivieren; ook komt hij (als enige soort) van nature in het Aralmeer voor.
Ook van de Gladbuiksteur bestaan verscheidene ecologische vormen: anadrome populaties in de Kaspische Zee, die in verschillende seizoenen trekken, daarnaast ook zuivere zoetwatervormen, bijvoorbeeld in de Donau, die niet meer naar zee trekken (en dat door de bouw van stuwen ook niet meer kunnen, natuurlijk).
De anadrome vormen prefereren in zee toch ook de brakke gebieden, waar ze leven van ongewervelde bodemdieren en vissen (grondels); ook viskuit (onder meer van andere steurachtigen) wordt graag gegeten.
De paaitijd valt bij alle vormen in het voorjaar.
De dieren worden waarschijnlijk niet ouder dan 30 jaar.
De economische betekenis is relatief gering.
Opmerkelijk is het droeve lot van de populatie in het Aralmeer.
Toen de Spitssnuitsteur een jaar of zestig geleden daar werd ingevoerd, bracht die een eerder niet voorkomende kieuwparasiet mee (een zuigworm uit de groep der Monogenea).
De niet aan deze parasiet aangepaste populatie van de Gladbuiksteur werd daardoor gedecimeerd.
Inmiddels zijn de Gladbuiksteur en de Spitssnuisteur samen met die zuigworm uit het Aralmeer verdwenen, doordat het hele ecosysteem daar is vernietigd.
Een weinig bekende soort is de Adriatische steur (Acipenser naccarü); hij leeft langs de kust van de Adriatische Zee, nooit ver van de mondingen der rivieren waarin hij zich voortplant. Voor de rivieren gereguleerd werden en vervuild raakten, trok hij in Noord-Italië stroomopwaarts tot de middenlopen van de Po, de Adige, de Tagliamento en zo meer.
In afwijking van andere soorten paait de Adriatische steur in rustig water nabij de oever, ook in de buurt van de riviermonding.
Vroeger werd hij tijdens de trek om het vlees gevangen (de kaviaar speelde nooit zo’n rol); thans is de populatie op een haar na uitgestorven.
De Adriatische steur wordt tot 2 m lang; de snuit is kort en stomp, kenmerkend zijn vooral de 32- 42 schuin opstaande, dicht opeengedrongen flankschilden, die ruim dubbel zo hoog als breed zijn (anders dan bij A. sturio, die ook in de Adriatische Zee voorkomt).
De rug- en buikschilden zijn tamelijk groot, en tussen de schildenreeksen is de huid dichtbezet met beenplaatjes van uiteenlopende afmeting.
De Siberische gladbuiksteur (Acipenser baeri) is inheems in de grote rivierstelsels van Noord-Rusland en Siberië.
Zijn aanpassingsvermogen was in het midden van de jaren zestig aanleiding voor experimenten met het uitzetten van de soort in de Oostzee en het Ladogameer.
Hoewel de vissen daar sneller groeiden dan in hun thuiswateren, bleken ze zich daar niet voort te planten, zodat de inburgeringspoging werd opgegeven.
Siberische gladbuiksteur Siberische gladbuiksteur
Zie ook....


Terug naar boven
De natuur alles over de natuur
http://www.de-natuur.be/pages/de_natuur.html
http://www.de-natuur.be/pages/aarde.html
http://www.de-natuur.be/pages/natuurverschijnselen.html
http://www.de-natuur.be/pages/bodem_en_compost.html
http://www.de-natuur.be/pages/bloemen_en_planten_1.html
http://www.de-natuur.be/pages/bloemen_en_planten_2.html
http://www.de-natuur.be/pages/klimplanten.html
http://www.de-natuur.be/pages/waterplanten.html
http://www.de-natuur.be/pages/struiken.html
http://www.de-natuur.be/pages/bomen.html
http://www.de-natuur.be/pages/fruitbomen.html
http://www.de-natuur.be/pages/esdoorns.html
http://www.de-natuur.be/pages/notebomen.html
http://www.de-natuur.be/pages/populieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/paddestoelen_1.html
http://www.de-natuur.be/pages/paddestoelen_2.html
http://www.de-natuur.be/pages/kruiden.html
http://www.de-natuur.be/pages/kruiden_2.html
http://www.de-natuur.be/pages/cactussen_en_vetplanten.html
http://www.de-natuur.be/pages/amfibieen.html
http://www.de-natuur.be/pages/kikkers.html
http://www.de-natuur.be/pages/padden.html
http://www.de-natuur.be/pages/salamanders.html
http://www.de-natuur.be/pages/apen.html
http://www.de-natuur.be/pages/buideldieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/haasachtigen.html
http://www.de-natuur.be/pages/herten.html
http://www.de-natuur.be/pages/hoefdieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/huisdieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/insecteneters.html
http://www.de-natuur.be/pages/knaagdieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/roofdieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/spinnen.html
http://www.de-natuur.be/pages/vleermuizen.html
http://www.de-natuur.be/pages/zeezoogdieren.html
http://www.de-natuur.be/pages/reptielen.html
http://www.de-natuur.be/pages/kameleons.html
http://www.de-natuur.be/pages/groene_leguaan.html
http://www.de-natuur.be/pages/insecten.html
http://www.de-natuur.be/pages/bijen.html
http://www.de-natuur.be/pages/dagvlinders.html
http://www.de-natuur.be/pages/kevers.html
http://www.de-natuur.be/pages/krekels.html
http://www.de-natuur.be/pages/libellen.html
http://www.de-natuur.be/pages/luizen.html
http://www.de-natuur.be/pages/nachtvlinders.html
http://www.de-natuur.be/pages/sprinkhanen.html
http://www.de-natuur.be/pages/teken.html
http://www.de-natuur.be/pages/pijlstaarten.html
http://www.de-natuur.be/pages/vliegen.html
http://www.de-natuur.be/pages/waterjuffers.html
http://www.de-natuur.be/pages/vogels.html
http://www.de-natuur.be/pages/uilen.html
http://www.de-natuur.be/pages/grijze-roodstaart.html
http://www.de-natuur.be/pages/pimpelmees.html
http://www.de-natuur.be/pages/koolmees.html
http://www.de-natuur.be/pages/roofvogels.html
http://www.de-natuur.be/pages/watervogels.html
http://www.de-natuur.be/pages/vissen.html
eXTReMe Tracker