| Zalm – Salmo salar |
|
|
| Korte beschrijving |
| Een forelachtige, tot ca. 1m lange vis, in de jeugd met zilverige flanken, witte buik en weinig vlekken; geslachtsrijpe dieren donkerbruin en krachtig gevlekt, de mannetjes met rode buik en haakvormig gekromde onderkaak. |
| Kenmerken |
|
Een anadrome soort; geslachtsrijpe dieren meestal 60 cm -1 m lang (zelden 1,5 m). Kaken met krachtige tanden; mondspleet tot achter het oog reikend. Staartsteel relatief dun, weinig zijdelings samengedrukt; staartvin iets uitgebocht. Rugvin en buikvinnen ongeveer in het midden van het lichaam geplaatst. Kleurpatroon met de leeftijd verschillend. Jonge vissen uit zoet water hebben donkere dwarsstrepen of vlekken, vanaf een lengte van 15 cm worden de flanken zilverkleurig en trekken de dieren naar zee (‘blanke zalm’). Geslachtsrijpe dieren zijn meestal donkerbruin of bijna zwart, met grote, zwarte en rode vlekken; de mannetjes hebben een roodachtige buik, de flanken vertonen een blauwachtige marmertekening. Bij het mannetje (de hengst’) ontwikkelt zich tijdens de voortplantingstrek een kraakbenige, omhooggekromde haak aan de top van de onderkaak (‘vechtkaak’) 120-130 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 12-15, aarsvin 10-14, borstvin 11- 16, buikvin 8-10. |
| Verwisselbare soorten |
|
Zalmen zijn lastig te onderscheiden van Zee- en Meerforellen (Salmo trutta). Bij de Zalm is de staartsteel langer, dunner en in doorsnee vrijwel rond; de staartvin heeft een duidelijke uitbochting, en de kop is kleiner en spitser. Bij de Forel draagt het voorste, vlakke deel van het ploegschaarbeen in het monddak tanden, bij de Zalm niet. Bij de Zalm zijn alle kieuwzeefaanhangsels op de eerste kieuwboog staafvormig verlengd, bij de Forel alleen de middelste. De zalm heeft geen witte voorranden aan de borst- en buikranden (dit in tegen stelling tot de Bronforel en de Beekridder) en die rand is ook niet rolrond (zoals bij de Donauzalm). |
|
|
| Leefwijze en biotoop |
|
Tijdens zijn verblijf in zee maakt de Zalm lange reizen tussen de West-Europese kusten (ook de Oostzee) en die van Groenland, Labrador en de oostelijke Verenigde Staten. Ze blijven meestal bij de kust, op een diepte van ongeveer 10 m , en ze eten alleen vis. Deze groeifase duurt 1- 4 jaar. Dieren die voldoende vetreserves in hun roodachtig verkleurende spierweefsel hebben voor de voortplantingstrek, beginnen de rivierstelsels binnen te zwemmen waar ze ooit zelf opgegroeid zijn. Zelfs wordt in de bovenlopen vooral de paaiplaats opgezocht die hun ouders ook gebruikt hebben. Het is nog niet helemaal duidelijk met welke zintuigen de vissen zich oriënteren; in elk geval speelt in zoet water de geurzin een hoofdrol. Men kan alleen gissen naar de biologische zin van deze strenge plaatstrouw. Misschien wordt door deze vorm van ‘inteelt’ bereikt dat de dieren voor de voortplanting in juist dat ene type water genetisch optimaal zijn toegerust (grootte, vetvoorraad, ‘timing’). De trek kan in het ene rivierstelsel immers veel lastiger zijn dan in het andere, en dan ben je in het voordeel als je voorouders die trek al met succes hebben ondernomen. Mogelijk verklaart dit ook waarom het uitzetten van jonge vissen uit andere rivieren vaak mislukt, zelfs in bovenlopen die er veelbelovend uit zien. Voordat de Zalm uit de meeste Midden- Europese binnenwateren was verdwenen, zag men (althans in grotere rivieren) het hele jaar door groepen die stroomopwaarts trokken. De afzonderlijke populaties verschilden daar bij in de lengte van de trekweg, de snelheid waarmee werd gezwommen en het seizoen waarin werd getrokken. Zo was er kleiner blijvende ‘zomerzalm’, die al met rijpe geslachtsklieren in de nazomer de riviermonding binnenkwam en na een korte trektocht nog datzelfde jaar in zijriviertjes van de benedenloop paaide. Zalmen die naar de bovenloop trokken, waren haast altijd grote, zware dieren, die dus grote energiereserves hadden; ook hieronder vond men snel voorttrekkende ‘grote zomerzalmen’, die bijvoorbeeld de hele afstand van Rijnmonding naar Zwitserse grens binnen twee maanden aflegden. De meeste zalmen uit de Boven-Rijn waren echter langzaam trekkende ‘winterzalmen’; deze begonnen pas in de herfst aan de trek, gingen ergens onderweg in winterrust en bereikten pas in de volgende herfst de paaiplaatsen. Deze vormen werden ook pas in zoet water geslachtsrijp. Algemeen bekend is de handigheid van de Zalm in het nemen van hindernissen zoals stroomversnellingen of kleine watervallen; ze kunnen sprongen tot drie meter maken. Maar een stuwdam zonder vistrappen of andere hulpmiddelen is voor de Zalm toch een onoverkomelijke barričre. De ei-afzetting vindt in Midden-Europa tussen november en januari plaats, in Noord- Europa iets eerder. De paaiplaatsen liggen altijd in matig stromende, koude wateren met een schone grindbodem, liefst op een diepte van ongeveer een meter. Met krachtige slagen van de staart maken de vrouwtjes een tot 2 m brede afzetkuil in de grindbedding. De dieren zeilen in paren af, na een intensief baltsspel; de paringen worden meermalen herhaald, en vervolgens worden de bevruchte, kleverige eieren met grind bedekt. Een vrouwtje kan in de loop van enkele dagen verscheidene van zulke ‘nesten’ aanleggen; daarbij wordt vaak met verschillende mannetjes gepaard. Het legsel is goed tegen rovers beschermd, in het grind van deze ijskoude beken; daarom hoeft de Zalm vergeleken met andere Salmoniden maar weinig eieren te produceren (ca. 20000 per vrouwtje). De meeste ouderdieren sterven kort na het afzetten; maar enkele komen weer op krachten, overwinteren in zoet water en trekken terug naar zee; slechts 5% van alle Zalmen plant zich 1-2 jaar later nog eens voort. De massale sterfte wordt meest al verklaard uit totale uitputting door de paringen en het opraken van de energiereserves. Inderdaad verliezen Zalmen tijdens de trek soms wel 30% van hun gewicht, omdat ze in zoet water vrijwel niet meer eten; ook de aanleg van eieren vergt veel van de vrouwtjes, en de mannetjes lijden onder zware gevechten met rivalen. Maar ook hormonaal gestuurde veranderingen (om. in het bloedvaatstelsel) spelen waarschijnlijk een belangrijke rol, wat betekent dat het sterven na de afzetting vanuit de ontwikkelingsfysiologie ‘gewenst’ is. Door het koude water van de winterse paaiplaatsen hebben de eieren veel tijd nodig voor hun ontwikkeling: pas na 70-200 dagen (afhankelijk van de temperatuur) komen ze uit. Ze zijn erg groot (tot 7 mm); dat geldt overigens voor de meeste Salmoniden. Daardoor kunnen de larven lange tijd leven van de reserves uit hun grote dooierzak, tot het voedselaanbod in de langzaam opgewarmde beek voldoende is om zelfstandig van te leven. In Midden-Europa blijven de jongen nog 1-2 jaar in zoet water, in Scandinavië (waar de zomerseizoenen veel korter zijn) soms wel 5 jaar. Ze eten eerst insectenlarven, vlokreeftjes en andere ongewervelden, maar als ze ca. 10 cm lang zijn, gaan ze (nog in zoet water) over op een visdieet; prooidieren zijn bijvoorbeeld Elrits en Bermpje. Vanaf een lengte van 15-20 cm maakt het dwarsgestreepte jeugdkleed geleidelijk plaats voor het zilver van de ‘blanke zalm’; dat is de kenmerkende kleur van pelagische vissen, zoals we ook bij Zee- en Meerforel zien. Tijdens de kleurwisseling beginnen de dieren naar zee te trekken. Zalmen werden rond 1900 nog in fabuleuze aantallen in de West- en Midden-Europese rivieren gevangen. Thans komen alleen nog in Ierland, Schotland en Scandinavië noemenswaardige bestanden voor. Deze achteruitgang is uiteraard mede in de hand gewerkt door de aanleg van stuwdammen en zo meer; maar ook de vervuiling van de grote rivieren schijnt een voorname rol te hebben gespeeld. In elk geval keert de Zalm geleidelijk terug nu de vervuiling weer afneemt (althans als de meldingen juist zijn en niet op verwisseling met de Zeeforel berusten). Maar ook de paaiplaatsen van de Zalm, die meestal minder hoog in de rivieren liggen dan bij de Forel, zijn en worden nog steeds door dammen, stuwen en ook door slibinspoeling (uit landbouwgebieden) onleefbaar gemaakt voor de soort; de afgenomen stroomsnelheid en de verslibbing van de vroegere grindbodems maken de ontwikkeling van het legsel onmogelijk. Door die oorzaken zijn op de vroegere paaiplaatsen ongeschikte (want zuurstofarme) omstandigheden ontstaan; dat lijkt ook de voornaamste reden waarom herinvoering van de Zalm maar niet wil lukken. Pogingen daartoe hebben wel alleen zin op plaatsen waar het jongbroed nog ongestoorde stroomgedeelten van voldoende omvang heeft, om zijn ontwikkeling te voltooien. De economische betekenis van de Zalm is nog steeds groot. Wilde Zalmen worden tijdens de trek stroomopwaarts in de benedenloop met stelnetten en fuiken gevangen; hun vlees wordt voor de handel meestal gerookt. Van toenemend belang is ook de kweek van Zalmen; die wordt vooral in de Noorse fjorden op industriële schaal in afgezonken kooien bedreven, en daardoor komt er veel goedkope ‘verse zalm’ op de markt. Vanwege de watervervuiling die deze gigantische kweekbedrijven veroorzaken is deze teeltvorm in milieutechnisch opzicht nogal omstreden. Veel anadrome vissen houden in zoet water helemaal met eten op, maar de Zalm vertoont in de eerste weken van de trek nog ‘bijtreflexen’; daarom kan men hem tijdens de trek ook wel eens met vlieg of spinner aan de hengel krijgen. |
|
|
| Verspreiding |
|
De Zalm komt voor in de gehele noordelijke Atlantische Oceaan. Hij paait in rivieren op IJsland, in Noord-Scandinavië, rondom de Oostzee en in West-Europa, inclusief de Britse eilanden, zuidwaarts tot Noord-Spanje. In het Midden-Europese deel van het areaal komt hij nauwelijks verder dan de benedenlopen. Hij komt verder nog voor op Groenland, in Canada (Labrador) en in het noordoosten van de VS (New England, landinwaarts tot de Grote Meren). Zuivere zoetwaterpopulaties leven in het Ladogameer en enkele andere meren in Noordwest-Rusland en Scandinavië, alsook in Noord-Amerika (speciaal de Grote Meren). |
Terug naar boven


