|
Zeelt – Tinca tinca |
|
|
| Korte beschrijving |
| Een gedrongen, donker olijfgroene vis met haast zwarte afgeronde vinnen, één paar baarddraden en zeer kleine schubben. |
| Kenmerken |
|
Lichaam matig gestrekt, zijdelings weinig samengedrukt; staartsteel opvallend hoog. Lengte meestal 20-30 cm, bij uitzondering tot 70 cm bij een gewicht van ca. 10 kg. Ogen klein; mondspleet kort, eindstandig, met een paar korte baarddraden bij de mondhoek. Schubben zeer klein, diep ingebed in de slijmige huid. Vinnen sterk afgreond; staartvin nauwelijks uitgerand. Rugzijde donkerolijf tot bruinachtig, flanken maar weinig lichter, de buik licht groenachtig-geel tot witachtig; de schubjes hebben verlengde buikvinnen (tot voorbij de aars reikend), met een verdikte tweede straal. 95-100 schubben op de zijlijn. Vinstralen: rugvin 12-13, aarsvin 9-11, borstvin 16-18, buikvin 10-11, staartvin 19. Keeltanden 4 (5)-5. |
| Verwisselbare soorten |
| Haast onverwisselbaar; hij lijkt nog het meest op de Karper, maar die heeft een zeer lange rugvin en 2 paar baarddraden. |
|
|
| Leefwijze en biotoop |
|
De zeelt is een kenmerkende bewoner van ondiepe, zuurstofarme plassen met weelderige plantengroei en slikkige bodem. Hij kan zich echter bijzonder goed aanpassen en komt ook in andere wateren voor, zelfs nog op 1600 m hoogte. In rivieren zoekt hij vooral rustige, dichtbegroeide bochten en oude rivierarmen op. Belangrijk is in elk geval een dichte begroeiing met waterplanten, want deze dieren zitten overdag tussen de planten verscholen en worden pas in de schemering actief. Ze verdragen hoge temperaturen, al hebben ze die niet echt nodig (zoals bijv. de Karper). Vooral s’ zomers ontstaat in ondiepe, slikkige plassen vaak zuurstofgebrek; de Zeelt doorstaat zulke situaties door in een soort coma te verstijven, zoals ook de Kroeskarper doet. De stofwisseling (dus ook het zuurstofverbruik) wordt zo tot een minimum beperkt; de dieren eten dan ook niet meer en blijven haast onbeweeglijk in hun schuilplaats. Als de omstandigheden zich verbeteren, bijvoorbeeld als de wind het water in beweging brengt en dooreen mengt, hervatten ze hun normale gedrag. Ook ’s winters kan de zuurstof in dichtgevroren plassen snel verbruikt zijn; dan graaft de Zeelt zich in de weke bodem in, en vervalt daar wederom in een verstijfde toestand. De Zeelt leeft doorgaans solitair; hij eet kleine bodemdiertjes, maar ook zachte plantendelen. De paaitijd valt tussen april en augustus; dat verschilt per watertype. Noodzakelijk is een temperatuur van minstens 18° C. De dieren verzamelen zich in kleine groepjes en zetten hun eieren aan waterplanten af. Een enkel vrouwtje kan 300000 eitjes produceren, in porties die over een periode van dagen verspreid zijn. De eieren komen al na ca. 3 dagen uit; de larven kleven zich tot het moment van vrijzwemmen aan waterplanten vast, gebruik makend van een klierveld op de kop. Aldus wordt voorkomen dat ze in het rottende slik wegzinken, waar ze te gronde zouden gaan. Vergelijkbare aanpassingen zien we bij alle vissen die afzetten in wateren met een weke bodem. De Zeelt heeft prima vlees en er wordt veel met de hengel op gevist. Bij het uitzetten van pootvis moet men er aan denken dat Zeelten wel kunnen samenleven met de overdag actieve Snoek, maar dat de ’s nachts actieve, evenzo op de bodem georiënteerde Meerval grote slachtingen onder de Zeelten kan aanrichten. |
|
|
| Verspreiding |
| De gematigde delen van vrijwel heel Europa en Azië. |
Terug naar boven


